Positivisme

Uit Kwamcowiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Positivisme


1. Definitie begrip

Positivisme is een filosofische benadering over de sociale wetenschap die ervoor pleit de sociale realiteit te bestuderen en verklaren door middel van de methodologie uit de natuurwetenschap, namelijk met enkel waarneembare en objectieve fenomenen (Bryman, 2008; Smith, 1998).

2. Uitleg betekenis begrip

Betekenis Positivisme

Positivisme staat volgens Bryman (2008) niet synoniem voor ‘wetenschap’ en ‘het wetenschappelijke.’ Het positivisme is enkel een filosofie, dus het streven naar wijsheid en kennis over de wetenschap, in het bijzonder de sociale wetenschap. Positivisme is volgens Bryman (2008) een epistemologische positie. Epistemologie betreft de vraag wat gezien kan worden als acceptabele kennis binnenin een discipline. De centrale vraag is of dezelfde principes en methoden die gelden in de natuurwetenschappen ook toegepast kunnen worden wanneer men de sociale wereld bestudeerd. De positivisten zijn hier voorstanders van (p. 13). Positivistische wetenschap heeft een voorkeur voor data uit de empirie. Empirische data houdt zintuiglijke waarnemingen en ervaringen, die geobserveerd en gemeten kunnen worden, in (Smith, 1998). Positivisten gaan uit van het phenomenalisme, alleen kennis dat kan worden bevestigd door de zintuigen wordt beschouwd als ware kennis, vanuit observatie wordt theorie gevormd (Bryman, 2008). Positivisten waren volgens Smith (1998) bezig met de manier waarop de aannames over de constructie van kennis implicaties hadden voor de verzameling en interpretatie van empirisch bewijs (p. 75). Het positivisme heeft een ontwikkeling gekend waar drie generaties positivisme uit zijn voortgekomen (Smith, 1998). In deze sectie worden deze drie generaties niet van elkaar worden onderscheiden maar in de sectie ‘ontwikkeling positivisme’ is dit wel het geval en zal er dieper worden ingegaan op de drie generaties afzonderlijk. Hoewel positivisme onder de overkoepelende term van empirisme valt, is het volgens Smith (1998) ook mogelijk een empiricus te zijn zonder een positivist te zijn. De opkomst van de methode van falsificatie ontwikkeld door Karl Popper in de twintigste eeuw laat dit verschil duidelijk zien en zal worden beschreven in de sectie ‘ontwikkeling positivisme’ (p. 75).

Aannamen

Er wordt door positivisten beargumenteerd dat kennis, zo ook over de sociale wereld, uit enkel waarneembare en objectieve fenomenen ontstaat. Er is de aanname dat deze fenomenen als harde feiten bestudeerd kunnen worden (Smith, 1998). De positivistische benadering gaat de metafysische en theologische opvatting van het genereren van kennis tegen. Kennis is namelijk volgens de positivistische benadering gebaseerd op ervaringen en behoeft geen verdere metafysische of theologische rechtvaardiging. De positivistische benadering maakt dan ook een duidelijk onderscheid tussen feiten en waarden. Enkel een feit wordt gezien als iets dat wetenschappelijk is. Het woord ‘positief’ refereert naar deze objectieve kennisvergaring, namelijk één die waardevrij is (King, 2007). Er is in het positivisme volgens Bryman (2008) ook een duidelijk onderscheidt tussen theorie en onderzoek. De rol van onderzoek is het testen van theorieën en het ontwikkelen van wetmatige regelmatigheden. Het is volgens positivisten mogelijk om observaties te verzamelen zonder dat dit beïnvloedt wordt door al bestaande theorieën, hetgeen de methodologische benadering ‘inductie’ (zie ‘methodologie) veronderstelt. Er ligt dus in het positivisme grote nadruk op het observeren van gebeurtenissen. Er wordt zelfs gesteld dat theoretische uitspraken niet beschouwd worden als wetenschappelijk zodra ze niet geobserveerd kunnen worden (p. 14).

Doel

Het positivisme heeft als doel om een wetenschappelijk of objectief beeld te bieden van en kennis te generen over de sociale wereld en de onderdelen daarvan. Dit objectieve beeld wordt verkregen door objectieve empirische data te verzamelen, te meten en te vergelijken om wetmatige regelmatigheden te genereren (Smith, 1998).

Methodologie

De positivistische benadering pleit voor een kwantitatieve data verzameling methode die ook in de natuurwetenschappen wordt gebruikt. Hierbij wordt empirisch bewijs gezocht om vervolgens met elkaar te kunnen vergelijken en te kijken in welke mate deze in de sociale werkelijkheid voorkomen (de frequentie). Het gaat dus om het verzamelen van kwantitatieve data en op basis hiervan is het mogelijk om het doel om wetmatige regelmatigheden te genereren die zodoende gegeneraliseerd kunnen worden naar andere situaties (p. 77). Het positivisme (alle drie de generaties positivisme gezamenlijk) maakt volgens Bryman (2008) zowel gebruik van benadering deductie als inductie als strategie in het vergaren van kennis over de sociale wereld. Deductieve theorie veronderstelt dat de aard van de relatie tussen theorie en sociaal onderzoek dat de onderzoeker op basis van al bestaande kennis over een domein, een theorie, een hypothese deduceert (van het bijzondere naar het algemene). Deze hypothese wordt dan vervolgens getest op basis van de analyse van empirische data. Bij inductie gaat dit proces omgekeerd in zijn werk. De onderzoeker stelt namelijk op basis van empirische data een theorie op (van het algemene naar het bijzondere) (p. 9-13).

3.Geschiedenis begrip

Opkomst en ontwikkeling positivisme

Positivisme is ontstaan in begin negentiende eeuw en beroept zich volgens Smith (1998) grotendeels op de denkers van de Verlichting. In het bijzonder legden zij de nadruk op de zoektocht naar zekerheid (p.75). Positivisme kan deels worden gezien als een reactie op de onrust in Europa eind negentiende eeuw. Het bood een visie op de productie van objectieve kennis om op deze manier het sociale leven weer te herstructureren. Het vroege positivisme representeerde volgens Smith (1998) meer een attitude ten opzichten van het sociale leven dan één geaccepteerde onderzoeksmethode (p. 85). Het bestuderen van sociale feiten en wetenschappelijke wetmatigheden stonden centraal en de invloed van religieuze benaderingen op de wetenschap nam aanzienlijk af. In het positivisme werden namelijk feiten van waarden gescheiden en niet meegewogen in het wetenschappelijk onderzoek. Het waardevrij onderzoek doen waarborgde het doel om objectieve kennis te genereren over de sociale wereld. Er kunnen drie generaties positivisme worden onderscheiden. Allereerst waren er de positivistische tradities, daarna ontstond het logisch positivisme en daarna het standaard positivisme (Smith, 1998).

Positivistische tradities

Auguste Comte (1798-1857)

De grondlegger voor eerste variant van het positivisme, de positivistische tradities, was volgens Smith et al. (1996) Auguste Comte. Het doel van Auguste Comte was om een wetenschap over de sociale wereld te ontwikkelen waarbij de methoden van de natuurwetenschappen werden toegepast, namelijk het observeren. Daarnaast had hij als doel om de causale wetten te onthullen, dus te kunnen verklaren welke oorzaken er ten grondslag liggen aan bepaalde fenomenen. Smith (1998) beschrijft een onderzoek van de positivist Émile Durkheim waarbij hij de oorzaken vaststelde voor mensen die zelfmoord pleegden. Hierdoor kon hij de verklaringen van de overheersende metafysische (religieuze) benaderingen, dat mensen die zelfmoord pleegde een zonde begingen of gestoord waren, tegenspreken omdat deze speculatief waren en niet op empirisch bewijs rustten. Dit is een goed voorbeeld waarbij feiten dus werden gescheiden van waarden in wetenschappelijk onderzoek.

Logisch positivisme

De tweede variant die Smith et al. (1996) beschrijven is het logisch positivisme dat opkwam in het begin van de twintigste eeuw. Deze werd gepromoot door de ‘Vienna Circle,’ bestaande uit filosofen, intellectuelen en wetenschappers. Dit is volgens Smith (1998) de meest invloedrijke vorm van positivisme geweest in de twintigste eeuw en wordt vaak gezien als de ‘extreme vorm’ van positivisme. Het logisch positivisme benadrukt namelijk in zeer hoge mate het belang van zintuiglijke waarneming en observatie in onderzoek dat als de fundering van kennis fungeert. Het doel van de logisch positivisten was om al het mogelijk speculatieve denken te verwijderen uit wetenschappelijke kennis. Zij stelden dat dit eerdere vormen van positivisme niet gelukt was en daarom pleitten zij voor deze nieuwe benadering. De logisch positivisten hechtten veel belang aan de taal die gebruikt werd in de constructie van wetenschappelijke kennis en richtten zich op het linguïstische onderscheidt tussen analytische en synthetische uitspraken. Het linguïstische onderscheidt was ook een sleutel element van het empirisme voor en na de verlichting en staat bekend als de ‘linguistic turn’ in de filosofie over de sociale wetenschap (King, 2007; Smith, 1998). Bijvoorbeeld logisch positivist Ludwig Wittgenstein beargumenteerde dat uitspraken de atomische feiten van de wereld moeten reflecteren. Elk object in deze wereld correspondeert met een definitieve uitspraak die een accuraat beeld schetst van dat object. Deze benadering stelt dus dat woorden als een spiegel dienen die simpelweg reflecteren wat er zich in de sociale wereld bevindt. De logisch positivisten in de zoektocht naar het vinden van de waarheid wilde zorgen dat er geen speculatie in het onderzoeksproces zou interveniëren. De logisch positivisten waren daarom erg voorzichtig in wanneer een uitspraak als ‘waar’ beschouwd mocht worden. Om te zorgen dat waarden en metafysische (religieuze) speculatie niet intervenieerde met het genereren van objectieve kennis maakten zij gebruik van het onderscheidt tussen analytische en synthetische uitspraken. Analytische uitspraken worden volgens King (2007) gezien als waar op grond van de betekenis van de woorden die ze bevat. Bijvoorbeeld de uitspraak: alle ongetrouwde mannen zijn dronkaards. Deze uitspraak is in synthetische termen onjuist omdat wanneer men dit zou onderzoeken uit observaties blijkt dat niet alle ongetrouwde mannen zich richten tot de drank. Logisch positivisten, net als empiristen, pleitten daarom voor synthetische uitspraken aangezien deze gebaseerd zijn op observatie en dragen dus bij aan het genereren van nieuwe kennis. Bovendien werden uitspraken die gebaseerd waren op morele overtuigingen of met een religieuze basis werden niet beschouwd als betekenisvol. Een uitspraak was volgens de logisch positivisten pas betekenisvol als deze door ervaring of observatie kon worden ondersteund (Smith, 1996). Het gaat bij logisch positivisme vooral om inductie en verificatie. Logisch positivisten verzamelde geobserveerde data en daarmee bouwden zij theorieën om deze observaties te kunnen verklaren. Er bestond de aanname dat wij deze fenomenen op zintuiglijke wijze kunnen ervaren zonder dat er al een bestaande theorie vooraf is die ons vertelt hoe je deze observaties moet organiseren. Zodra hetzelfde fenomeen voorkomt in ook andere situaties of tijdstippen, dan spreekt men van een wetenschappelijke wetmatigheid. De logisch positivisten maakten volgens Smith (1998) gebruik van de verificatie benadering om de wetenschappelijke verklaringen te testen. In deze benadering gaan onderzoekers op zoek naar gelijksoortige observeerbare data om de validiteit van een opgesteld wetenschappelijke wetmatigheid aan te tonen. De waarheid van een uitspraak wordt dus bevestigd door de verzameling van bewijs voor deze uitspraak (p. 100-101)

Standaard positivisme

Er was echter ook kritiek op inductie aangezien deze benadering de rol van de observant enkel ziet als iemand die geen constructieve rol speelt en passief zintuiglijke data tot zich neemt. Dit is een onrealistisch uitgangspunt (Smith, 1998). De derde generatie positivisten, de standaard positivisten, zoals Carl Hempel, benadrukken daarom meer het deductieve proces als benadering om kennis te construeren. Deductie is volgens Smith (1998) een mentaal proces waarbij valide conclusies op logische wijze gededuceerd kunnen worden van valide aannamen, dat zijn dus generalisaties van wetmatige regelmatigheden. Er wordt een algemene veronderstelling gedaan en middels onderzoek wordt deze veronderstelling getest. Een voorbeeld dat Smith (1998) geeft over deductief redeneren is:

  1. Alle kinderen zijn gemeen
  2. Deze persoon is een kind
  3. Deze persoon is gemeen

Het deductieve proces begint dus met een bestaande theorie waaruit uitspraken worden gededuceerd, waarbij observaties vervolgens dienen als basis om deze uitspraken te testen. Om hypothesen of theorieën te testen maakte onderzoekers gebruik van ‘gesloten settings,’ namelijk experimenten in laboratoria om alle andere mogelijke interveniërende variabelen uit te sluiten. Op deze manier konden er wetmatige regelmatigheden, ofwel causale verbanden, worden vastgesteld en nieuwe kennis gegenereerd.


De val van het positivisme en opkomst interpretatief onderzoek

Karl Popper (1902-1994)


Volgens Smith (1988) ontstond er midden twintigste eeuw veel kritiek op de aannamen en doelen van positivisme. Dit is de tijd van het postpositivisme. De benadering van Karl Popper genaamd ‘falsificatie’ opkomt die vraagtekens plaatste bij het positivisme en de zoektocht naar de waarheid. Popper benadrukte echter wel dat er nog steeds de toewijding moet blijven bestaan van wetenschappers voor de accumulatie van kennis om op deze wijze menselijke vooruitgang te verzekeren (p 105). Popper uitte zijn kritiek op zowel de inductieve benadering als zoektocht naar ‘de waarheid.’ Popper pleitte ervoor dat onderzoekers ermee moeten leren leven dat men niet weet wat er gaat gebeuren in een nieuwe situatie. In plaats van het verwachten dat onze kennis wordt bevestigd ontwikkelde hij een methodologie waarbij het mogelijk is dat onze kennis juist wordt weerlegd. We mogen namelijk volgens hem niet verwachten dat uitspraken over situaties die wij nog niet hebben meegemaakt, wat gebeurt met inductie wanneer men wetmatige regelmatigheden generaliseert, waar zullen zijn. Popper beargumenteerde daarom dat onderzoekers altijd moeten proberen hun hypothesen en theorieën te falsificeren, dus proberen bewijs te zoeken die de hypothese of theorie weerlegd. Dit zorgt er volgens Popper namelijk voor dat de onderzoeker beter nadenkt over wat hij onderzoekt en niet zomaar bepaalde zaken in zijn onderzoek voor lief neemt. De wetenschap is dus niet een zoektocht naar ‘de waarheid’ maar een proces van het testen van hypothesen en theorieën waarbij het vallen en opstaan is. Popper roept onderzoekers dus op om zeer kritisch te zijn ten opzichten van bewijs dat gevonden wordt. Falsificationisme is dus ook een attitude ten opzichte de wetenschap in het algemeen (p. 108).Voor logisch positivisten moeten ideeën enkel de reflectie zijn van onze percepties, een weerspiegeling van de sociale wereld om ons heen. Popper beargumenteerde echter dat ideeën niet altijd vanuit observatie komen maar soms ook uit gissingen kunnen bestaan. Theorieën en observaties zijn dus voor Popper gescheiden. De manier waarop wij ons de wereld ons voorstellen is dus gescheiden van onze percepties en indrukken van deze wereld (p. 105-111). Een volgende ontwikkeling in de sociale wetenschap als tegenreactie op het positivisme is de nadruk op de inbeelding en complexiteit in de sociale wetenschap. De veronderstelling dat men theorie en observatie van elkaar kan scheiden wordt hierbij tegengesproken. Hier wordt de aanname gedaan dat de menselijke geest geobserveerde ervaringen organiseert en interpreteert en dit zodoende een zeer belangrijke rol speelt in de sociale wetenschap. Deze nieuwe vorm van onderzoek doen naar de sociale wereld heet dan ook interpretatief onderzoek. Deze onderzoekstraditie veronderstelt volgens Bryman (2008) dat hetgeen bestudeerd wordt in de sociale wetenschappen fundamenteel verschilt met wat er bestudeerd wordt in de natuurwetenschappen. Daarom is er een andere onderzoeksmethode nodig om de sociale wereld te bestuderen dan die uit de natuurwetenschappen. Er is een duidelijke verschuiving te constateren van het verklaren van menselijk gedrag naar het begrijpen van menselijk gedrag. De nadruk ligt dan ook op het interpreteren van menselijk gedrag om zodoende begrip te krijgen over sociale processen en hoe deze tot stand komen (p. 15).

4. Voorbeeld

Voorbeeld positivisme

Bij positivisme gaat het erom dat iets alleen maar als ‘kennis’ wordt beschouwd zodra het waarneembaar is en getest kan worden in de empirie. Wanneer een onderzoeker een bestaande theorie over een fenomeen uit de sociale realiteit wil gaan testen, dan zal hij een hypothese opstellen om deze vervolgens te testen. Bijvoorbeeld zodra er een bestaande theorie bestaat dat mensen van Nederlandse afkomst eerder worden aangenomen bij sollicitaties door werkgevers dan allochtonen die in Nederland wonen. De onderzoeker stelt vervolgens een hypothese, gededuceerd vanuit deze bestaande theorie (deductie) op. Bijvoorbeeld de hypothese: Nederlanders worden eerder aangenomen door werknemers dan allochtonen die in Nederland wonen. Nu zal deze onderzoeker empirisch bewijs zoeken om zijn hypothese te testen. Hij zal bijvoorbeeld in een gesloten setting, middels een experiment werkgevers onderwerpen aan autochtone en allochtonen sollicitanten. De onderzoeker zal dan observeren hoeveel autochtonen en allochtonen er worden aangenomen door de werkgevers en deze uitkomsten met elkaar vergelijken. Zodra inderdaad blijkt dat er meer autochtonen sollicitanten worden aangenomen door werkgevers dan is zijn hypothese aangenomen. In vervolg onderzoeken zal de onderzoeker in het verificatieproces op zoek gaan naar gelijksoortige data om de validiteit van zijn wetmatige regelmatigheden aan te kunnen tonen. Zodra dit gelukt is kan de onderzoeker zijn theorie generaliseren naar de gehele populatie.

5. Voorbeeld in bestaand onderzoek

Bestaand onderzoek

Een onderzoek waarin het begrip positivisme van toepassing is het onderzoek genaamd ‘Integrating positivist and interpretative approaches to organizational research uitgevoerd door Lee in het jaar 1991. In dit onderzoek beschrijft Lee (1991) hoe zowel de positivistische benadering als de interpretatieve benadering in organisatie onderzoek geïntegreerd kan worden. Organisatie onderzoek betreft onderzoek over de attitudes, motivaties en gedrag van mensen binnen een bepaalde organisatie. In dit onderzoeksgebied worden mensen beschouwd als onderdeel van een gestructureerde context en cultuur (Organizational Research, z.d.) Dit onderzoek is dus van toepassing op het begrip positivisme omdat positivisme claimt de sociale realiteit te kunnen bestuderen met de principes en methoden van de natuurwetenschappen (Bryman, 2008). Er bestaat het beeld dat in dit onderzoeksgebied de positivistische benadering en de interpretatieve benadering niet samen kunnen gaan. Lee (1991) tracht echter met dit paper te bewijzen dat dit niet het geval is. Het doel van dit paper is dan ook het opstellen van een raamwerk waarin beide benaderingen worden geïntegreerd. Het raamwerk dient dan ook onderzoekers die een van de twee benaderingen hanteren ervan te overtuigen dat er een gemeenschappelijke factor tussen deze twee benaderingen bestaat en dat zij hun voordeel kunnen doen met procedures van elkaars benadering (p. 342-343).

De positivistische benadering claimt dat de methoden van de natuurwetenschappen de enige ware wetenschappelijke methoden zijn, zo ook voor de organisatiewetenschap. De interpretatieve benadering claimt dat wanneer men mensen bestudeerd en hun instituties dit vraagt om methoden die geheel anders zijn dan die van de natuurwetenschappen. Het raamwerk dat wordt voorgesteld dient om deze twee benaderingen die zo tegengesteld lijken nader tot elkaar te brengen. Het raamwerk bestaat uit drie niveaus van begrip namelijk: 1. Het subjectieve begrip 2. Het interpretatieve begrip 3. Het positivistische begrip

Het subjectieve begrip betreft volgens Lee (1991) de geobserveerde mensen die onderworpen worden aan onderzoek. Het gaat hierbij om de betekenissen waarmee deze mensen henzelf zien en die leidde tot het gedrag die zij vertonen in sociaal geconstrueerde settings. Het interpretatieve begrip betreft volgens de auteur de onderzoeker zelf. De onderzoeker interpreteert namelijk op subjectieve wijze de betekenissen die mensen toekennen aan henzelf om op die manier het gedrag dat zij vertonen te kunnen verklaren. Het positivistische begrip betreft volgens de auteur ook de onderzoeker zelf. De onderzoeker is namelijk hypothesen aan het testen om de empirische realiteit die hij/zij aan het onderzoeken is te kunnen verklaren.

Aan de hand van een voorbeeld casus van Nardulli (1978) legt Lee (1991) uit hoe dit raamwerk toegepast kan worden. Nardulli (1987) deed onderzoek naar de mensen die werken in de Amerikaanse strafrechtbank. Hij legt op de positivistische en de interpretatieve benadering evenveel nadruk en gebruikt daarom dus ook beiden methoden in zijn onderzoek. Hij gebruikte de interpretatieve benadering om te bestuderen wat de omgeving van een rechtbank betekent voor de rechters, juryleden, aanklagers en verdedigers die daar in werken. Hij gebruikte de positivistische benadering door deze bevindingen te formuleren in een theorie die de relatie tussen de grote druk van vele rechtszaken en de rechtbank die niet goed functioneerde te verklaarde. Vervolgens onderwierp hij deze theorie aan empirische testen. Lee (1991) plaatst de kanttekening dat men niet in elk onderzoek beiden methoden even zwaar hoeft laten wegen. Lee (1991) laat hiermee wel zien dat de organisatie wetenschapper methoden van beide benaderingen kan gebruiken. Een onderzoeker kan namelijk rechtvaardigen dat hij/zij een heel scala aan methoden gebruikt die zowel objectief als subjectief zijn, kwantitatief of kwalitatief enzovoorts. De auteur toont daarom met dit paper aan dat de positivistische en de interpretatieve benadering elkaar juist kunnen aanvullen en dat geen van beide benaderingen het meest geschikt is voor de organisatiewetenschap.

6. Gerelateerde begrippen

Gerelateerde begrippen (lemmata)

De begrippen die gerelateerd zijn aan positivisme zijn, epistemologie, interpretatief onderzoek en kunstmatige setting. Epistemologie hangt samen met positivisme omdat het bij epistemologie om de vraag gaat wat gezien kan worden als acceptabele kennis. Positivisme claimt de juiste methodiek te hebben om objectieve en dus deze acceptabele kennis te genereren (Bryman, 2008). Interpretatief onderzoek hangt samen met het begrip positivisme. Deze twee onderzoekstradities trachten namelijk beide de sociale wereld te bestuderen maar met een andere visie op wat nu de juiste methodiek is (Lee, 1991). Positivisme pleit ervoor mensen in de sociale wereld de bestuderen volgens methoden uit de natuurwetenschappen. Interpretatief onderzoek daarentegen ziet mensen en sociale acties als iets dat men op een andere wijze moet bestuderen. Het gaat dan niet om het verklaren van menselijk gedrag maar om menselijk gedrag te interpreteren en te begrijpen. Kunstmatige setting hangt samen met het positivisme omdat in het positivisme gebruik wordt gemaakt van een kunstmatige setting (gesloten settings) om hypothesen en theorieën te testen. In een kunstmatige setting wordt namelijk een sociale situatie nagebootst. Dit kan zich in het positivisme voordoen in de vorm van een experiment in een laboratorium (Bryman, 2008; Smith, 1998)

7. Links

Zie ook verdere informatie positivisme


Zie ook kritiek op het positivisme

8. Literatuurlijst

Bryman, A. (2008). Social Research Methods (3rd ed.). Oxford: Oxford University.


King, P J. (2007). 100 Filosofen. Inleiding tot het gedachtegoed van de grootste denkers ter wereld (2nd ed.). Kerkdriel: Librero.


Lee, A. S. (1991). Integrating positivist and interpretive approaches to organizational research. Organization Science, 2(4), 342-365.


Smith, M. (1998). Social Science in question (3rd ed.). London: Sage Publications.


Smith, S, et al. (1996). Debates. In Smith, S, Booth, K & Zalewski, M (Eds.), International theory: positivism and beyond (pp. 11-30). Cambridge: University Press.


Organizational Research. (z.d.). Opgehaald op 5 maart, 2010, van http://amapedia.amazon.com/view/Organizational+Research/id=93382